Verschillende werkvormen en balans in de lesopbouw

Verschillende werkvormen en balans in de lesopbouw

Esther Damsma-in ’t Groen stelde in de vorige Arco de vraag “hoe ziet de opbouw van jullie ideale les eruit?”. Ik geef op deze vraag graag mijn antwoord, waarbij ik moet zeggen dat ik sinds enkele jaren hoofdzakelijk individuele les geef en deze combineer met wekelijks samenspel in orkestverband. Tijdens de orkestrepetities les ligt de nadruk op samenspel vanaf bladmuziek. In mijn individuele lessen is er echter een veelvoud aan werkvormen. Een aspect van de les is om de leerlingen te instrueren deze werkvormen ook zo veel mogelijk thuis te laten doen.

Het leren bespelen van een strijkinstrument is een complex proces waarbij allerlei vaardigheden moeten worden ontwikkeld en gecombineerd. De primaire vaardigheid wordt gevormd door het omzetten van de muziek die we in ons hoofd “horen” naar speelbewegingen. Het klinkende resultaat daarvan moet de speler weer terugkoppelen naar wat hij zich van te voren had voorgesteld. De basis van dit proces, het vormen van een klankvoorstelling, wordt ontwikkeld door het veelvuldig luisteren naar muziek, en zoveel mogelijk te musiceren.

Rondom bovengenoemde primaire vaardigheid dienen zich nog een groot aantal andere vaardigheden en processen aan, zoals bv. het ontwikkelen van basiskennis van muziek en het instrument, het ontwikkelen van het muzikaal/motorisch/visueel geheugen, het kunnen lezen van genoteerde muziek, het ontwikkelen van expressie, creativiteit, het leren effectief te studeren en het opbouwen van zelfvertrouwen. Het leren bespelen van een strijkinstrument vraagt samenwerking van zintuigen als horen, voelen en zien. Tevens worden bij het musiceren beide hersenhelften geactiveerd en worden er allerlei verbindingen in ons brein gelegd om al deze deelvaardigheden samen te laten komen in dat wat we uiteindelijk als “spel” aanduiden.

Toen ik ruim 30 jaar geleden begon les te geven deed ik dat op ongeveer dezelfde manier zoals ik zelf altijd les had gehad: De docent was de enige leerbron, het lesmateriaal bestond volledig uit genoteerde muziek en de werkvormen bleven beperkt tot het ontwikkelen van techniek repertoire-opbouw, samenspel en theoretische kennis. In de loop der tijden is mijn lijstje werkvormen en leerbronnen enorm uitgebreid:  kennis van breinonderzoek en moderne onderwijspsychologie tonen aan dat het leervermogen en de motivatie van de leerling flink toeneemt als je als docent meerdere  leerwegen toepast, meerdere leerbronnen inzet. Mijn lijstje van werkvormen en leerbronnen,  is dit:

 

  1. Bewegen/fysieke oefeningen uitvoeren (zonder instrument)
  2. Leren van begrippen, theorie, met de docent en ook met behulp van digitale tools
  3. Zingen van liedjes
  4. Klappen van ritmen
  5. Technische opdrachten uitvoeren via uitleg van de docent, bladmuziek, tekst, foto’s, video’s en mp3
  6. Voor- en naspelen (met wisselende rollen) in de les en thuis met mp3’s
  7. Improviseren en experimenteren vanuit de muzikale elementen, met vraag en antwoord en vanuit akkoordenschema’s
  8. Op gehoor naspelen van liedjes
  9. Samenspelen met docent en medeleerlingen
  10. Spelen vanuit grepenschema’s/tabulaturen
  11. Ontwikkelen en trainen van het lezen en spelen vanaf bladmuziek, bv prima vista-spel
  12. Opbouwen van repertoire
  13. Leren spelen en onderscheiden van verschillende muziekstijlen
  14. Samen met de leerling muziek beluisteren/musici zien optreden
  15. Taal en ritme met elkaar laten verbinden (bv. een “mini-rap laten bedenken)

 

Het hangt van het niveau van de leerling af welke werkvormen aan bod komen, maar ik streef ernaar om een gevarieerd en uitgebreid menu aan te bieden. Daarnaast is het ook belangrijk om hetzelfde leerdoel via verschillende werkvormen te ontwikkelen. Ik geef hieronder 2 voorbeelden hoe ik verschillende werkvormen inzet.

Met een beginner die ik met de hele stok wil leren strijken, werk ik uit les 12 van deel 1 van mijn vioolmethode “Vioolwereld”. Deze les start met een bewegingsoefening. De leerling moet door een rolletje strijken. Hierdoor wordt het motorische deel in het brein geactiveerd. Vervolgens wordt dezelfde oefening zonder rolletje op de viool gespeeld en moet de leerling naast de beweging ook letten op de klank. Het auditieve deel in het brein wordt daarbij geactiveerd. In de volgende werkvorm wordt geïmproviseerd op losse snaren met streken met de hele stok boven een begeleiding. Hierbij wordt het creatieve deel in het brein geactiveerd en ontstaat een verbinding tussen de nieuwe streektechniek met de “eigen muziek van de leerling”. De leerling zal de nieuwe streektechniek dan ook gemakkelijker als iets van zichzelf ervaren en beter gemotiveerd raken. De notatie van de gespeelde lange noten volgt dan in de volgende werkvorm. Het cognitieve deel van het brein wordt geactiveerd. Tenslotte gaat de leerling een oefening met hele noten klappen en op losse snaren strijken. Door het leerdoel op verschillende manieren te benaderen worden in het brein van de leerling allerlei verbindingen gelegd. Behalve door de verschillende werkvormen stijgt de motivatie van de leerling  door verschillende leerbronnen aan te wenden : ikzelf als docent, tekstuele uitleg, foto’s, mp3’s,video’s en bladmuziek.

 

Een gevorderde leerling die ik introduceer in de 7e positie kan ik uit bovengenoemde lijst aansturen met een aantal werkvormen zoals nr. 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12.

 

Belangrijk te zeggen is verder dat deze tijd het veel eenvoudiger maakt de leerling te laten studeren op meerdere manieren dan in mijn eigen leerlingen-tijd.  Bv door mp3’s te maken met voor- en naspeelfragmenten blijft het voor- en naspelen niet beperkt tot de paar minuten in de wekelijkse les, maar kan de leerling zijn gehoor en geheugen dagelijks trainen met mp3’s. Hetzelfde geldt voor improvisatie-opdrachten en samenspel.  Door samen met mijn leerlingen Youtube-video’s te kijken en beluisteren kunnen zij  inspiratie krijgen via grote musici of artiesten. Via internet kun je meer te weten te komen over de titel van een stuk, of andere aanduidingen in de bladmuziek. Die kennis maakt dat het stuk al veel meer gaat leven voor de leerling.  Voor het speels leren van theorie bestaan talrijke ditigale tools, bv “Earz” , “Noten- en Klankenkraker”.

 

Welke werkvormen je ook gebruikt, ik houd zelf in de gaten of er een goede balans blijft bestaan tussen:

  1. de werkvormen en leerbronnen in het algemeen
  2. werken met het instrument of zonder
  3. dat wat ik inbreng in de les en de leerling
  4. het werken vanuit bladmuziek en zonder bladmuziek
  5. spelplezier en ambacht

Toelichting op punt 2, 3 en 4 : omdat de leerling die zich bij me aanmeldt in eerste instantie voor een strijkinstrument heeft gekozen, lijkt het mij belangrijk om te realiseren dat er een balans moet blijven in datgene wat ik in de les doe met het instrument en zonder het instrument (bv. klappen, zingen).  Ook is de kans dat er een vruchtbare les ontstaat veel groter als ik zoveel mogelijk zoek naar verbinding met de leerling. Samenspel, voor- en naspelen dragen daartoe bij.  Maar ook het zoeken van balans tussen wat ik zelf aan expertise en persoonlijke voorkeuren wil inbrengen enerzijds,  en dat wat de leerling anderzijds wilt leren. Balans tussen het werken met en zonder bladmuziek geeft balans in het kijken en luisteren van spelers en waarborgt ruimte voor de muziek in de leerling zelf via improvisatie.

Variatie in de oefenstof en aansturing is voor het leervermogen essentieel, net zoals dagelijkse voeding ook gevarieerd en uitgebalanceerd moet zijn.  Diezelfde variatie verhoogt ook nog eens mijn motivatie tijdens het lesgeven!

 

Nico Dezaire

 

Geef een reactie